Rebekka en Isaak verwachtten een tweeling. God vertelde Rebekka dat de jongste zoon alle rechten zou krijgen, ook al hoorde dat eigenlijk bij de oudste. Esau werd als eerste geboren. Hij was een sterke jager en de lieveling van Isaak. Jakob was rustig, bleef liever binnen, en was de lieveling van Rebekka.
Op een dag kwam Esau hongerig thuis van de jacht. Jakob had soep gemaakt. Esau wilde de soep, en Jakob zei: "Alleen als ik jouw eerstgeboorterecht krijg." Esau ging akkoord en ruilde zijn rechten voor een kom soep.
Later, toen Isaak oud en blind was, wilde hij Esau zijn zegen geven. Esau had zin in wildpraaat. Rebekka hielp Jakob om zich voor te doen als Esau. Hij kreeg de zegen van Isaak die eigenlijk voor Esau bedoeld was. Esau superboos en wilde wraak. Rebekka liet Jakob vluchten naar haar broer Laban.
Onderweg droomde Jakob over een ladder naar de hemel met engelen erop. God beloofde hem veel nakomelingen en een goed land. Bij Laban werd Jakob verliefd op Rachel. Hij werkte zeven jaar om met haar te mogen trouwen, maar Laban bedroog hem en liet hem met Lea trouwen. Uiteindelijk mocht Jakob ook met Rachel trouwen, maar hij moest nog eens zeven jaar werken.
Na 14 jaar ging Jakob terug met zijn gezin. Bij een rivier waar hij moest oversteken vocht hij de hele nacht met een engel, maar hij wist dat eerst nog niet. De engel noemde hem Israël, wat betekent "hij die met God worstelt." Toen liep Jakob slecht door een heupblesure.